Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 6,59 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 3,92 (6% inclusief btw)
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Waarschuwingen bij patiënten met congestief hartfalen. Bij patiënten die lijden aan chronisch hartfalen, dient Carvedilol hoofdzakelijk te worden toegediend in combinatie met diuretica, ACE-remmers, digitalis en/of vasodilaterende middelen. De therapie dient te starten onder de supervisie van een verantwoordelijke arts. De therapie dient alleen te starten, als de patiënt ten minste 4 weken stabiel is ingesteld op de conventionele basistherapie. Patiënten met ernstig hartfalen (NYHA ≥ III), zout en volume tekort (bijv. behandeling met hoge doses diuretica), ouderen (≥70 jaar) of patiënten met een lage basis bloeddruk dienen ongeveer 2 uur gecontroleerd te worden na de eerste dosering of na het verhogen van de dosering, omdat hypotensie kan optreden. Hypotensie als gevolg van excessieve vasodilatatie wordt aanvankelijk behandeld door het verlagen van de dosis diureticum. Als de symptomen blijven bestaan kan de dosis van de eventueel gebruikte ACE-remmer worden verlaagd. Bij het starten van de therapie of gedurende de titratie van Carvedilol kan het hartfalen verergeren of kan vochtretentie voorkomen. In deze gevallen dient de dosering van de diuretica te worden verhoogd en dient de dosering van carvedilol niet verder verhoogd te worden totdat klinische stabiliteit bereikt is. Het kan af en toe noodzakelijk zijn om de dosis van carvedilol te verlagen of de behandeling stop te zetten. Wegens het negatieve effect op AV-geleiding moet carvedilol met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met een AV-blok van de 1e graad. Bij patiënten met chronisch hartfalen die met digitalis worden behandeld, moet carvedilol met voorzichtigheid worden toegediend, omdat zowel digitalis als carvedilol de AV-geleidingstijd verlengt (zie 4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie). Nierfunctie bij congestief hartfalen Tijdens behandeling met carvedilol bij patiënten met hartfalen en een lage bloeddruk (systolische bloeddruk < 100 mm Hg), ischemische hartziekte, en diffuse vasculaire aandoening, en/of onderliggende nierinsufficiëntie werd een reversibele verslechtering van de nierfunctie waargenomen. Bij patiënten met hartfalen met deze risicofactoren dient tijdens het titreren van de dosis van carvedilol de nierfunctie gecontroleerd te worden. Als de nierfunctie significant verslechtert, dient de dosis carvedilol te worden verlaagd of de therapie te worden onderbroken. Linkerventrikel disfunctie na een acuut myocardinfarct Voordat de behandeling met carvedilol wordt gestart, moet de patiënt klinisch stabiel zijn en gedurende ten minste de voorafgaande 48 uur een ACE-remmer gekregen hebben en de dosis van de ACE-remmer moet gedurende ten minste de voorafgaande 24 uur stabiel geweest zijn. Carvedilol moet met voorzichtigheid worden gebruikt bij patiënten met instabiele angina pectoris, aangezien er slechts beperkte klinische ervaring beschikbaar is voor gebruik bij deze aandoening. Chronische obstructieve pulmonale ziekte Bij patiënten met neiging tot bronchospasmen, kan respiratoire distress optreden als gevolg van een mogelijke toename van de luchtwegweerstand. Patiënten die lijden aan ademhalingsziekten met een bronchospastische component mogen derhalve niet worden behandeld met carvedilol (zie rubriek 4.3). Diabetes Carvedilol kan de vroegtijdige tekens en symptomen van acute hypoglycemie maskeren of verzwakken. Het gebruik van carvedilol bij patiënten met hartfalen en diabetes kan soms leiden tot een verslechtering van de controle van de glucosespiegel. Daarom is zorgvuldige opvolging nodig van diabetici die carvedilol gebruiken; de glucosespiegel dient geregeld gemeten te worden, vooral tijdens titratie van de dosis, en wanneer nodig dient de antidiabetische medicatie aangepast te worden (zie rubriek 4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie). Ook na een lange periode van vasten moet de glucosespiegel zorgvuldig gecontroleerd worden. Bètablokkers kunnen de insulineresistentie verhogen en symptomen van hypoglykemie maskeren. Anderzijds hebben talrijke studies aangetoond dat vasodilaterende bètablokkers zoals carvedilol een gunstiger effect hebben op glucose- en lipidenprofielen. Hyperthyreoïdie Carvedilol kan symptomen van acute hyperthyreoïdie maskeren. Bradycardie Carvedilol kan bradycardie veroorzaken. Als de polsslag tot onder de 55 slagen per minuut daalt dient de dosis carvedilol verlaagd te worden. Gelijktijdig gebruik van calciumantagonisten Als carvedilol tegelijk met calciumantagonisten zoals verapamil en diltiazem wordt gebruikt, of met andere antiaritmica, in het bijzonder amiodaron, dienen de bloeddruk en het ECG van de patiënt zorgvuldig gecontroleerd te worden. Cimetidine dient alleen met voorzichtigheid tegelijkertijd te worden voorgeschreven, aangezien de effecten van carvedilol kunnen toenemen (zie rubriek 4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie). Contactlenzen Dragers van contactlenzen dienen ingelicht te worden over het mogelijk optreden van een verminderde traanvochtproductie. Overgevoeligheid Men dient voorzichtig te zijn bij het toedienen van carvedilol aan patiënten met een voorgeschiedenis van ernstige overgevoeligheidsreacties en bij patiënten die een desensibilisatiebehandeling ondergaan, aangezien bètablokkers zowel de gevoeligheid voor allergenen als de ernst van de anafylactische reacties kunnen vergroten. Ernstige huidreacties In zeer zeldzame gevallen zijn ernstige huidreacties zoals toxische epidermale necrolyse (TEN) en het syndroom van Stevens-Johnson (SJS) gemeld tijdens de behandeling met carvedilol (zie ook rubriek 4.8). De toediening van carvedilol moet definitief worden stopgezet bij patiënten die ernstige huidreacties ervaren die toe te schrijven zijn aan carvedilol. Risico op een anafylactische reactie Tijdens het gebruik van bètablokkers kunnen patiënten met een voorgeschiedenis van ernstige anafylactische reacties op verschillende allergenen gevoeliger zijn voor herhaalde blootstelling, hetzij per ongeluk, diagnostisch of therapeutisch. Dergelijke patiënten reageren mogelijk niet op de gebruikelijk doses epinefrine die gebruikt worden om allergische reacties te behandelen. Psoriasis Zorgvuldigheid is geboden als bètablokkers worden voorgeschreven aan patiënten met psoriasis, aangezien de huidreacties kunnen verergeren. Patiënten met een voorgeschiedenis van psoriasis geassocieerd met bètablokkentherapie mogen carvedilol alleen innemen na afweging van de risico's en de voordelen. Perifere vasculaire ziekten en syndroom van Raynaud Carvedilol moet met voorzichtigheid gebruikt worden bij patiënten met perifere vasculaire ziekten, aangezien bètablokkers de symptomen van deze ziekten kunnen verergeren. Hetzelfde geldt voor patiënten met het syndroom van Raynaud, aangezien er een verergering van de symptomen kan zijn. Hypertensie Bij essentiële hypertensie kan carvedilol alleen worden gebruikt of in combinatie met andere antihypertensiva, met name thiazidediuretica. Als er al (pre)behandeling met een diureticum gaande is, is het advies om deze zo mogelijk kort te onderbreken vóór aanvang van de behandeling met carvedilol om een te grote bloeddrukdaling te voorkomen. Aangezien er beperkte klinische ervaring is, dient carvedilol niet gebruikt te worden bij patiënten met labiele of secondaire hypertensie, orthostase, acute inflammatoire hartziekte, hemodynamisch relevante obstructie van de hartkleppen of van het outflow kanaal, laatste fase van een perifere arteriële aandoening, gelijktijdige behandeling met een alpha-1 receptor antagonist of alpha-2 receptor agonist. Feochromocytoom Bij patiënten met feochromocytoom moet een initiële therapie met alfablokkers gestart worden alvorens een bètablokker te gebruiken. Ondanks het feit dat carvedilol zorgt voor alfa- en bètablokkade, beschikt men over onvoldoende ervaring bij deze ziekte, voorzichtigheid is daarom aangeraden bij deze patiënten. Prinzmetal angina Geneesmiddelen met een niet-selectieve bètablokkerende werking kunnen borstpijn uitlokken bij patiënten met Prinzmetal angina. Er bestaat geen klinische ervaring met het gebruik van carvedilol bij deze patiënten, hoewel de alfablokkerende werking van carvedilol dergelijke symptomen kan voorkomen. Carvedilol is gecontra-indiceerd bij patiënten die zijn gediagnosticeerd met prinzmetalangina (zie rubriek 4.3). Voorzichtigheid is vereist bij de toediening van carvedilol aan patiënten bij wie Prinzmetal angina vermoed wordt. Anesthesie en grote chirurgische ingrepen Bètablokkers verminderen het risico van aritmieën bij anesthetica, het risico van hypotensie kan echter ook worden verhoogd. Voorzichtigheid is bijgevolg vereist bij patiënten die een algemene chirurgische ingreep ondergaan, omwille van de synergetische negatieve inotrope effecten van carvedilol en anesthetica. Meer recente studies suggereren echter een voordeel van bètablokkers in de preventie van perioperatieve hartmorbiditeit en reductie van de incidentie van cardiovasculaire complicaties. Ontwenningssyndroom Net als bij andere bètablokkers dient het gebruik van carvedilol niet abrupt gestaakt te worden. Dit geldt vooral voor patiënten met ischemische hartziekte. De behandeling met carvedilol dient geleidelijk binnen twee weken te worden afgebouwd, bijvoorbeeld door elke drie dagen de dagelijkse dosis te halveren. Wanneer nodig, dient tegelijkertijd gestart te worden met vervangingstherapie om exacerbatie van angina pectoris te voorkomen. Pediatrische patiënten Carvedilol wordt niet aanbevolen voor gebruik bij kinderen en adolescenten jonger dan 18 jaar wegens onvoldoende veiligheidsgegevens. Ouderen Oudere patiënten kunnen gevoeliger zijn voor carvedilol en moeten zorgvuldiger worden opgevolgd. Net als andere bètablokkers moet carvedilol geleidelijk worden stopgezet, vooral bij coronaire patiënten. Nierfunctiestoornis De autoregulatoire renale bloedtoevoer blijft behouden en de glomerulaire filtratie blijft onveranderd tijdens chronische behandeling met carvedilol. Bij patiënten met matige tot ernstige nierinsufficiëntie zijn geen veranderingen nodig in de aanbevolen carvediloldosering (zie rubriek 4.2). Hulpstof(fen) Lactose Dit geneesmiddel bevat lactosemonohydraat. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose�intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken.
Essentiële hypertensie.
Chronische stabiele angina pectoris.
Aanvullende behandeling van matig tot ernstig stabiel chronisch hartfalen
Eén tablet bevat 25 mg carvedilol.
Neemt u nog andere geneesmiddelen in? Neemt u naast Carvedilol Teva nog andere geneesmiddelen in, of heeft u dat kort geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u in de nabije toekomst andere geneesmiddelen gaat innemen? Vertel dat dan uw arts of apotheker. Dit is omdat Carvedilol Teva een invloed kan hebben op de manier waarop sommige geneesmiddelen werken. Sommige andere geneesmiddelen kunnen ook een invloed hebben op de manier waarop Carvedilol Teva werkt.
Raadpleeg uw arts als u één van de volgende geneesmiddelen inneemt: andere geneesmiddelen voor uw hart of een hoge bloeddruk, in het bijzonder:
anti-aritmica bijv. amiodaron calciumantagonisten bijv. amlodipine, diltiazem, verapamil, nifedipine digitalispreparaten bijv. digoxine nitraten bijv. glyceryltrinitraat guanethidine, reserpine, methyldopa clonidine
mono-amine-oxidaseremmers (gebruikt om depressie te behandelen) bijv. moclobemide barbituraten bijv. amylobarbiton (slaappil) fenothiazines bijv. prochloorperazine (om braken en misselijkheid te behandelen) antidepressiva bijv. amitriptyline, fluoxetine (gebruikt om depressie te behandelen) ciclosporine (gebruikt na een orgaantransplantatie) insuline of tabletten om diabetes te behandelen niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID's) bijv. ibuprofen (gebruikt voor pijn, stijfheid en ontsteking van pijnlijke beenderen, gewrichten en spieren) corticosteroïden (gebruikt om ontsteking te verminderen) bijv. beclometason oestrogeen therapieën (gebruikt als contraceptie of hormoon vervangende therapie) rifampicine (gebruikt om tuberculose te behandelen) cimetidine (gebruikt om zweren te behandelen) ketoconazol (gebruikt om schimmelinfecties te behandelen) haloperidol (gebruikt bij mentale ziekten) erythromycine (een antibioticum gebruikt voor bacteriële infecties) sympathomimetica (gebruikt voor het zenuwstelsel) bijv. efedrine, of bèta-agonistische bronchodilatatoren
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
Bijwerkingen zijn minder waarschijnlijk als u behandeld wordt voor angina pectoris of hypertensie dan als u behandeld wordt voor hartinsufficiëntie.
Mogelijke bijwerkingen bij patiënten die behandeld worden voor hartinsufficiëntie: Zeer vaak (kunnen voorkomen bij meer dan 1 op 10 personen):
duizeligheid hoofdpijn problemen met uw hart zich zwak of moe voelen een lage bloeddruk (zich duizelig of ijlhoofdig voelen) trage hartslag, duizeligheid of flauwvallen bij rechtstaan (als gevolg van een verlaagde bloeddruk).
Vaak (kunnen voorkomen bij tot 1 op 10 personen): infectie van de luchtwegen (bronchitis), longen (pneumonie), neus en keel urineweginfecties anemie gewichtstoename toename van het cholesterol-(vet)-gehalte in het bloed verlies van bloedsuikercontrole bij mensen met diabetes zich depressief voelen problemen met het zicht, pijnlijke of droge ogen, oogirritatie trage hartslag zwelling van handen, enkels of voeten problemen met de bloeddoorstroming, vasthouden van vocht flauwvallen of duizeligheid bij rechtstaan (als gevolg van een bloeddrukdaling) verslechtering van koude extremiteiten bij mensen met de ziekte van Raynaud of problemen met de bloeddoorstroming. problemen met de ademhaling misselijkheid, maaglast, braken diarree pijn in uw handen, voeten. Problemen met uw nieren, waaronder veranderingen in het plassen.
Soms (kunnen voorkomen bij meer dan 1 op 100 personen) slaapproblemen zich flauw voelen, flauwvallen tintelingen of gevoelloosheid problemen met uw hart, borstpijn problemen met uw huid (huiduitslag, jeuk, droge huidvlekken) haaruitval impotentie (moeilijkheid om een erectie te krijgen of te behouden).
Zelden (kunnen voorkomen bij tot 1 op 1000 personen): daling van het aantal plaatjes in uw bloed (wat leidt tot ongewone bloedingen of onverklaarde blauwe plekken) verstopte neus.
Zeer zelden (kunnen voorkomen bij minder dan 1 op 10.000 personen): laag aantal witte bloedcellen in uw bloed allergische reacties veranderingen van de leverfunctie (opgespoord met testen) problemen om urine op te houden (incontinentie bij vrouwen) blaarvorming van de huid, de mond, de ogen en de geslachtsorganen (Stevens-Johnson syndroom: zeldzame huidaandoening met ernstige blaren en bloedingen aan lippen, ogen, mondslijmvliezen, neus en genitaliën), of ernstige blaarvorming en vervelling van grote huidzones (toxische epidermale necrolyse: ernstige huidreactie die begint met rode pijnpunten, dan grote blaren en eindigt met het afpellen van de huidlagen. Dit gaat gepaard met griepachtige symptomen, pijnlijke spieren en algehele malaise), of erythema multiforme: ernstige huidaandoening die invloed kan hebben op de mond en andere delen van het lichaam, in de vorm van rode, vaak jeukende vlekken, gelijkaardig aan de uitslag van mazelen, die begint aan de ledematen en soms het gezicht en de rest van het lichaam.
Bij patiënten met diabetes kunnen veranderingen van de bloedsuikerspiegels en een verslechtering van de bloedsuikercontrole optreden.
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken? • u bent allergisch voor één van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6. • als u in het verleden astma of andere longziekten heeft gehad, tenzij u eerst uw arts of apotheker heeft geraadpleegd • als u problemen met uw hart heeft (bijvoorbeeld een 'hartblok' of instabiele hartinsufficiëntie), omdat Carvedilol niet geschikt is voor sommige mensen met bepaalde types van hartproblemen • als u een ongewoon trage hartslag (<50 spm) of een zeer lage bloeddruk (systolische druk onder 85 mmHg) heeft die soms leidt tot duizeligheid, flauwvallen of een gevoel van een ijl hoofd bij het rechtstaan • als u verapamil of diltiazem via injectie of als een infusie (met een druppelinfuus) krijgt • als u een probleem heeft met de zuurspiegels in uw bloed ('metabole acidose'). • als u leverproblemen heeft
4.6. Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding Zwangerschap Er is onvoldoende klinische ervaring met carvedilol bij zwangere vrouwen. Uit dieronderzoek is reproductietoxiciteit gebleken (zie rubriek 5.3). Het gebruik van carvedilol wordt niet aanbevolen tijdens de zwangerschap en de borstvoeding, tenzij het potentieel voordeel voor de moeder opweegt tegen het potentieel risico voor de foetus/pasgeborene. Het potentieel risico voor de mens is onbekend. Bètablokkers verminderen de doorbloeding van de placenta, wat kan leiden tot foetale dood in de baarmoeder, abortus en voortijdige geboorten. Bovendien kunnen bijwerkingen (vooral hypoglycemie, bradycardie) voorkomen bij foetus en pasgeborene. Er kan een verhoogd risico zijn op hart- en longcomplicaties bij de neonatus in de postnatale periode. De behandeling dient 72-48 uur voor de verwachte bevalling gestopt te worden. Als dit niet mogelijk is dient de pasgeborene de eerste 48-72 uur geobserveerd te worden. Borstvoeding Carvedilol is lipofiel en volgens de resultaten van studies bij dieren met lactatie wordt carvedilol en diens metabolieten in de moedermelk uitgescheiden Het is onbekend of carvedilol wordt uitgescheiden in de moedermelk bij de mens. Carvedilol is gecontra-indiceerd tijdens de borstvoeding. Daarom moet In geval van behandeling met carvedilol de borstvoeding worden stopgezet.
Dosering
Carvedilol kan worden gebruikt voor de behandeling van hypertensie, als monotherapie of in combinatiemet andere antihypertensiva, vooral thiazidediuretica. Het is aanbevolen éénmaal daags te doseren, echterde aanbevolen maximale enkelvoudige dosis is 25 mg en de aanbevolen maximale dagelijkse dosering is50 mg.
Volwassenen
De aanbevolen startdosis is 12,5 mg éénmaal daags gedurende de eerste twee dagen. Vervolgens wordtde behandeling voortgezet met 25 mg/dag.
Zo nodig kan de dosis geleidelijk verder verhoogd worden met tussenpozen van twee weken of langer.
Samenvatting van de Kenmerken van het Product
Ouderen
De aanbevolen startdosis bij hypertensie is 12,5 mg éénmaal daags, wat ook voldoende kan zijn bij eengecontinueerde behandeling. Indien de therapeutische respons bij deze dosering onvoldoende is, kan dedosis geleidelijk verder worden verhoogd met tussenpozen van twee weken of langer.
Een dosering tweemaal per dag is aangewezen.
Volwassenen
De startdosis is 12,5 mg tweemaal daags gedurende de eerste twee dagen. Vervolgens wordt debehandeling voortgezet met 25 mg tweemaal per dag. Zo nodig kan de dosis geleidelijk verder verhoogdworden met tussenpozen van twee weken of langer. De aanbevolen maximale dagelijkse dosis is 100 mgin twee giften.
Ouderen
De aanbevolen startdosis is tweemaal daags 12,5 mg gedurende twee dagen. Daarna wordt debehandeling voortgezet met tweemaal daags 25 mg per dag, wat de aanbevolen maximale dagelijkse dosisis.
Behandeling van matig tot ernstig hartfalen als aanvulling op conventionele basistherapie met diuretica,ACE-remmers, digitalis en/of vasodilatoren. De patiënt moet klinisch stabiel zijn (geen verandering in deNYHA-klasse, geen hospitalisatie als gevolg van hartfalen) en de basistherapie dient, de laatste 4 wekenvoorafgaand aan de behandeling, gestabiliseerd te zijn. Bovendien dient de patiënt een gereduceerdelinker ventrikel ejectiefractie te hebben en de hartfrequentie moet > 50 slagen per minuut zijn en desystolische bloeddruk > 85 mm Hg
De aanvangsdosis is tweemaal daags 3,125 mg gedurende twee weken. Als deze dosering goed wordtverdragen kan de hoeveelheid carvedilol verhoogd worden met tussenpozen van twee weken of langer,eerst tot tweemaal daags 6,25 mg, dan tweemaal daags 12,5 mg gevolgd met tweemaal daags 25 mg.Aanbevolen wordt de dosis te verhogen tot het hoogste niveau dat door de patiënt wordt verdragen.De aanbevolen maximale dosis is tweemaal daags 25 mg bij patiënten die minder dan 85 kg wegen, entweemaal daags 50 mg bij patiënten die meer dan 85 kg wegen op voorwaarde dat het hartfalen nieternstig is. Het verhogen van de dosering naar tweemaal daags 50 mg dient met voorzichtigheid te wordenuitgevoerd en de patiënt dient zorgvuldig te worden gecontroleerd.
Er kan een voorbijgaande verergering van de symptomen van hartfalen ontstaan aan het begin van debehandeling of als gevolg van verhoging van de dosering, vooral bij patiënten met ernstig hartfalen en/ofpatiënten die onder behandeling zijn van hoge dosering diuretica. Dit is doorgaans geen reden om debehandeling te staken, maar de dosering dient niet te worden verhoogd. De patiënt dient na het starten vande behandeling of verhogen van de dosering, gecontroleerd te worden door een arts/cardioloog.Voorafgaande aan elke verhoging van de dosis dient onderzocht te worden of er mogelijk symptomen zijnvan een verslechtering van hartfalen of symptomen van excessieve vasodilatatie (bijv. nierfunctie,lichaamsgewicht, bloeddruk, hartsnelheid en hartritme). Verslechtering van hartfalen of vochtretentie wordtbehandeld door de dosis diuretica te verhogen en de dosis carvedilol mag niet verhoogd worden totdat depatiënt stabiel is. Als bradycardie optreedt of in geval van verlenging van AV-geleiding, dient allereerst het niveau van digoxine te worden gecontroleerd. Soms kan het nodig zijn de dosis carvedilol te verlagen ofde behandeling tijdelijk geheel te onderbreken. Zelfs in deze gevallen kan de behandeling met carvedilolvaak met succes worden voortgezet.
Nierfunctie, trombocyten en glucose (in geval van NIDDM en/of IDDM) moeten regelmatig gecontroleerdworden gedurende de dosistitratie. Desalniettemin, na dosis titratie mag de frequentie van de monitoringverminderd worden.
Als de behandeling met carvedilol langer dan twee weken wordt onderbroken, dient opnieuw met 3,125 mgtweemaal daags te worden begonnen en kan de dosis geleidelijk worden verhoogd zoals hierbovenbeschreven.
Nierfunctiestoornissen
De dosering dient voor iedere patiënt individueel te worden vastgesteld maar op basis vanfarmacokinetische parameters is er geen bewijs dat doseringsaanpassing van carvedilol nodig is bijpatiënten met nierfunctiestoornissen.
Matige leverfunctiestoornis
Aanpassing van de dosering kan nodig zijn.
Pediatrische patiënten
Er is onvoldoende informatie over de werkzaamheid en veiligheid van carvedilol.
Ouderen
Oudere patiënten kunnen gevoeliger zijn voor de effecten van carvedilol en dienen zorgvuldiggecontroleerd te worden.
Zoals bij andere bètablokkers en vooral bij coronaire patiënten, dient het afbouwen van carvedilolgeleidelijk te gebeuren.
Wijze van toediening
Oraal gebruik.
De tabletten dienen met voldoende vloeistof te worden ingenomen. De tabletten hoeven niet tijdens demaaltijd ingenomen te worden. Maar hartpatiënten wordt aangeraden carvedilol met wat voedsel in tenemen, zodat de absorptie langzamer is en de kans op orthostatische hypotensie verminderd wordt.
| CNK | 2259240 |
|---|---|
| Organisaties | Arega Pharma NV, Teva Belgium |
| Merken | Teva |
| Breedte | 48 mm |
| Lengte | 92 mm |
| Diepte | 40 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 100 |
| Actieve ingrediënten | carvedilol |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |